Naar inhoud springen

Stotteren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Stotteren
Stotteren
Coderingen
ICD-11
VV2Y
Eerdere versies
ICD-10: F98.5
ICD-9: 307.0
OMIM 184450
DOID 0060243
MedlinePlus 001427
MeSH D013342
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde
Klinisch linguïst en logopedist Lottie Stipdonk (Erasmus MC) over stotteren - Universiteit van Nederland

Stotteren wordt in de ICD-10 omschreven als "Spraak die wordt gekenmerkt door frequente herhaling of verlenging van geluiden, lettergrepen of woorden of ook wel door herhaalde aarzelingen of pauzes die het vloeiend verloop van de spraak onderbreken. Dit dient alleen dan als een stoornis te worden geklasseerd indien de ernst ervan zodanig is dat het vloeiend verloop van de spraak duidelijk wordt belemmerd”. In dit lemma wordt uitsluitend de meest voorkomende vorm van stotteren besproken, de communicatiestoornis (subcategorie) die in de DSM-IV is ingedeeld bij de ontwikkelingsstoornissen.

Naast de ICD-10, geeft ICD-11 (6A01.1)) een bredere omschrijving. De ICD-11 omschrijft stotteren als een ontwikkelingsstoornis in de spraakvloeiendheid die gekenmerkt wordt door frequente aanhoudende verstoring van het normaal ritmische verloop en tempo van de spraak, waaronder herhalingen en verlengingen van klanken, lettergrepen, woorden en zinnen, evenals blokkades en het vermijden of vervangen van woorden. De spraakvloeiendheid is persistent, begint tijdens de ontwikkelingsperiode en ligt aanzienlijk lager dan verwacht voor de leeftijd. De stoornis leidt tot beperkingen in de sociale communicatie en in het persoonlijk, familiaal, educatief, beroepsmatig of ander belangrijk functioneren. De ICF-benadering biedt daarnaast een bredere  kijk dan de ICD-10 op stotteren. Ze houdt rekening met lichamelijke factoren, persoonlijke kenmerken en omgevingsfactoren, evenals de impact op  activiteiten en participatie.[1]

Oorzaken en ontwikkeling

[bewerken | brontekst bewerken]

Stotteren begint meestal tussen het tweede en vijfde levensjaar. Dit is de tijd dat kinderen meer leren praten. Stotteren komt op oudere leeftijd meer voor bij jongens of mannen dan bij meisjes en vrouwen. Stotteren kan soms gedurende een korte periode verergeren of juist afnemen en in sommige gevallen tijdelijk of zelfs definitief geheel verdwijnen.

Op basis van het familiair voorkomen, studies met tweelingen (eeneiig dan wel twee-eiig) en studies van kinderen na adoptie, was al bekend dat stotteren voor een belangrijk deel erfelijk bepaald is. Er zijn ook genen aangetoond die significant (maar niet absoluut) met stotteren samengaan. Men gaat ervan uit dat naast deze genetische factoren ook neurobiologische, gedragsmatige, emotionele en omgevingsfactoren een rol spelen.[2]

De incidentie (nieuwe optredende gevallen in de tijd) wordt geschat tussen 5% en 17% afhankelijk van de onderzochte populatie en gehanteerde definities. Een groot gedeelte hiervan (ongeveer 75%) herstelt spontaan (meisjes meer dan jongens). Daardoor is de prevalentie (bestaande gevallen in de tijd) lager (1%, met ongeveer 80% van het mannelijk geslacht). De kans op spontaan herstel daalt wanneer het stotteren langer dan een jaar duurt of wanneer het kind ouder is dan zes jaar.[3]

Verschijnselen

[bewerken | brontekst bewerken]

Hoewel onvloeiendheden bij alle jonge kinderen voorkomen als onderdeel van de taalontwikkeling, is er een duidelijk verschil tussen stotteren en normale onvloeiendheden. Kinderen met normale onvloeiendheden herhalen soms klanken, lettergrepen of woorden, maar deze belemmeren het spreken niet. Kinderen die stotteren vertonen onvloeiendheden vaker en vooral op klanken of lettergrepen. Deze gaan meestal gepaard met verlengingen en blokkeringen.[4]

Bij personen die stotteren zijn bepaalde delen van de hersenen anders actief en verbonden dan bij personen die niet stotteren.[5] Vooral het gebied van de primaire motor cortex is 'overactief' in vergelijking met niet-stotteraars. Tijdens het spreken krijgt iemand constant terugkoppeling over hetgeen gezegd wordt. De voor de spraak verantwoordelijke spieren (tong, lippen, kaakspieren enzovoort) worden door het voor de spraak verantwoordelijke deel van de hersenen (de temporale kwab van de linkerhersenhelft) geïnstrueerd om bepaalde bewegingen te maken. Wanneer een spierbeweging fout gaat (dreigt te gaan) vanwege bijvoorbeeld spanning (welke dan ook) wordt dit naar de hersenen teruggekoppeld. Bij stotteren wordt deze terugkoppeling minder adequaat gegeven, waardoor de spieren blijven corrigeren. Dit veroorzaakt stottersymptomen. Het probleem uit zich dus in de afstemming tussen de aansturing vanuit de hersenen en de spieren die voor de spraak verantwoordelijk zijn. Maar het is geen 'spierprobleem' maar een neurobiologisch en motorisch coördinatieprobleem.[3]

Stotteren wordt niet gezien als een stoornis met één duidelijke oorzaak. Het ontstaat door een combinatie van verschillende factoren die samen een rol spelen. Uit tweelingenonderzoek blijkt dat 40-85% van  het risico op stotteren door genetische factoren wordt bepaald. Bij volwassenen is niet duidelijk of de verschillen in de hersenen het stotteren veroorzaken, of dat ze juist ontstaan doordat iemand stottert. Stotteren begint vaak in een periode waarin kinderen snel taal leren.Taal is geen oorzaak van stotteren, maar kan wel invloed hebben op wanneer iemand stottert. Zo treedt het bijvoorbeeld vaker op aan het begin van een zin, bij langere of complexere woorden,… Omgevingsfactoren, zoals stress of hoge taaleisen, kunnen stotteren verergeren, maar zijn geen primaire oorzaak. Ook kunnen leerprocessen ervoor zorgen dat iemand bepaalde reacties op stotteren aanleert. Als gevolg gaat het stotteren zich blijven herhalen en versterken. Voorbeelden hiervan zijn het vermijden van bepaalde woorden of spreeksituaties, het aanspannen van spieren om door een blokkade heen te spreken enz.[3]

Openlijk/verborgen stotteren

[bewerken | brontekst bewerken]

Stotteren wordt wel vergeleken met een ijsberg. Het openlijk stotteren verwijst naar blokkades, herhalingen en ongewilde pauzes tijdens het spreken is goed merkbaar, dus 'boven water'. Daarnaast bestaat er het zogenaamde verborgen stotteren. Dit deel blijft voor de buitenwereld onzichtbaar, maar kan een belangrijkere plaats innemen dan het openlijk stotteren. Dit betreft het vermijden van moeilijke woorden, de spreekangst en de minderwaardigheidsgevoelens. Deze laatste verschijnselen blijven als het ware 'onder water'.

Het verborgen stotteren kan gezien worden als het gedeelte van de ijsberg dat onder water ligt. Dit gedeelte omvat de gedachten en gevoelens omtrent het stotteren. Deze zijn doorgaans niet zichtbaar voor de omgeving, maar spelen wel een grote rol. Negatieve gedachten als 'anderen vinden mij stom wanneer ik stotter' kunnen gevoelens van angst, onzekerheid en minderwaardigheid oproepen. Een persoon die stottert gaat deze negatieve gevoelens en gedachten vaak uit de weg door op allerlei manieren te trachten zo min mogelijk te stotteren. Dit noemt men vermijdings- of vluchtgedrag en in sommige gevallen ontstaat vechtgedrag. Zo kan een persoon die stottert spreeksituaties vermijden en bepaalde woorden gaan vervangen. Op den duur ontwikkelt een persoon die stottert een heel repertoire aan 'trucjes' om het stotteren te omzeilen. Dit vormt naast het hoorbaar stotteren een probleem op zich. De negatieve gedachten en gevoelens kunnen voor veel spanning zorgen. Dit kan vervolgens het hoorbaar stotteren veranderen, of zelfs verergeren.

Wereldwijd zijn er ongeveer 60 miljoen personen die stotteren. In Europa zijn dit er 3,74 miljoen. In Nederland en België zijn die aantallen respectievelijk 170.000 en 100.000 personen.

Stotteren heeft invloed op de levenskwaliteit. Schoolgaande kinderen hebben een groter risico op pesten, angstklachten en sociale afwijzing (uitsluiting). Onderzoek bij kinderen tussen 7 en 12 jaar toont aan dat sociale angststoornis vaker voorkomt bij kinderen die stotteren dan bij kinderen die niet stotteren. [6] Het stotteren van een kind kan bij ouders bepaalde gevoelens oproepen, zoals bezorgdheid, stress, onzekerheid en machteloosheid. Ze twijfelen vaak of ze op de juiste manier met hun kind omgaan. Deze emotionele belasting kan de sfeer in het gezin beïnvloeden en benadrukt het belang van tijdige en adequate begeleiding. [7] Stotteren wordt vaak geassocieerd met lagere prestatie op school en werk. Als het tijdens de kindertijd niet behandeld wordt, kan het aanhouden en de kwaliteit van leven op sociaal, educatief en professioneel vlak negatief beïnvloeden. Ook op volwassen leeftijd kan stotteren grote gevolgen hebben. Veel volwassenen vermijden sociale situaties uit angst voor negatieve beoordeling en hebben een sterk verhoogd risico op angststoornissen, vooral sociale angst. Dit kan leiden tot sociale isolatie, beperkte deelname aan het maatschappelijk leven en een verminderde levenskwaliteit. Daarnaast blijkt dat stotteren invloed kan hebben op studiekeuzes, opleidingsniveau en carrièremogelijkheden. Een ernstig stotterende volwassene heeft gemiddeld een kleinere kans om een hoger opleidingsniveau te bereiken. Stigmatisering is eveneens een veelvoorkomend probleem: velen rapporteren negatieve ervaringen en verwachten dat dit in de toekomst opnieuw zal gebeuren.[8]

Meestal verdwijnt het stotteren bij kinderen zonder dat logopedische behandeling nodig is. In gevallen waarbij het stotteren langer dan een half jaar aanhoudt, kan vroege interventie de ontwikkeling van ernstige problematiek voorkomen. Contact zoeken met een logopedist, gespecialiseerd in stotteren, dient tijdig te gebeuren.[3]

Bij heel jonge kinderen zal een therapeut eerst proberen in te schatten hoe de ontwikkeling van het stotteren zal verlopen. In veel gevallen zal geprobeerd worden om via de ouders de uitlokkende factoren tot een minimum te beperken. Wanneer een kind zelf al reageert op zijn stotteren, zullen bij de therapie zowel ouders als het kind betrokken worden, omdat het reactiegedrag van het kind de problematiek kan verergeren. Met kind en ouders samen kan hieraan gericht en direct gewerkt worden. Kinderen zijn volop in ontwikkeling en daarom dient een therapeut aandacht te schenken aan alle ontwikkelingsgebieden die invloed lijken te hebben op het stotterende spreken. Kind, ouders, speelzaal/kleuterklas en school zullen veelal bij de begeleiding betrokken worden.

Voor kleuters tot 6 jaar bestaan evidence-based aanpakken die zich richten op het spreken van het kind en die zich in eerste instantie richten op de omgeving van het kind. [6] Bij schoolgaande kinderen tussen 6 en 12 jaar is de evidentie voor effectieve stotterreductie minder sterk ten opzichte van jongere kinderen, adolescenten en volwassenen. Hoewel er klinisch onderzoek bestaat naar stotterinterventies binnen deze leeftijdsgroep, is de methodologische kwaliteit ervan beperkter dan andere leeftijdsgroepen. Therapiedoelen bij oudere kinderen en (jong)volwassenen zijn uiteenlopend, maar omvatten meestal zowel een focus op de communicatie en focus op gevoelens en gedachten die gepaard gaan met stotteren. Doelen worden op maat geformuleerd voor iedere persoon die stottert. Een doel kan zijn om vloeiend te spreken (fluency shaping), makkelijker te stotteren (stuttering modification) of makkelijker te communiceren (psychologische benaderingen, zoals CBT). [7]

Voor (jong-)volwassenen is een goede diagnose essentieel om de best passende stottertherapie te kiezen. Technische aspecten van stottertherapieën zijn grotendeels in twee groepen op te splitsen: stuttering modification en fluency shaping. Bij stuttering modification wordt een persoon die stottert geleerd om 'vloeiend' te stotteren, terwijl bij fluency shaping gestreefd wordt naar een meer vloeiende spraak. Deze verschillende aspecten worden in moderne therapieën overigens geïntegreerd aangeboden en er wordt altijd gewerkt aan het verborgen stotteren. Cognitieve gedragstherapie (CBT) wordt ingezet om angst en spanning rond het stotteren te reduceren en om acceptatie van stotteren te vergroten. Deze aanpak kan voor alle leeftijden gebruikt worden. Verder worden ook andere vormen van psychologische begeleiding toegepast in stottertherapie, zoals Acceptance and Commitment Therapy (ACT) en mindfulness. [9]

Mensen die stotteren

[bewerken | brontekst bewerken]

Fictieve figuren

[bewerken | brontekst bewerken]

Tips voor het spreken met een persoon die stottert

[bewerken | brontekst bewerken]

Om een gesprek tussen meerdere personen gemakkelijk te laten verlopen, zijn communicatieregels belangrijk. Er zijn mensen die het lastig vinden te luisteren naar iemand die stottert. Over het algemeen geldt dat een luisteraar zijn luistergedrag en reacties niet hoeft aan te passen wanneer hij met iemand spreekt die stottert. Met een paar extra punten van aandacht is de luisteraar geholpen: Maak als het kan een opmerking over het stotteren. Wanneer stotteren een 'taboe' is, wordt spontaan reageren ook moeilijker. Volgt de persoon die stottert therapie? Vraag er eens naar. Misschien heeft deze persoon adviezen voor de gesprekspartner. De persoon die stottert doet mogelijk al enorm zijn best om niet te veel te stotteren, daarom heeft het geen zin adviezen te geven als "doe maar rustig", of "haal eens adem". Niet doen: zinnen aanvullen en oogcontact vermijden. Bedenk dat achter de zichtbare stottersymptomen (vergelijk: ijsberg, het gedeelte boven water) vaak negatieve gedachten en gevoelens schuilen (het gedeelte onder water). Als iemand niet hoorbaar stottert, kan iemand toch een stotterprobleem hebben. Stotteren wisselt van aard, al naargelang het onderwerp van gesprek, het gedrag van de gesprekspartner en het aantal aanwezige personen. Het is een misvatting dat stotteren makkelijk te verhelpen is (deze ontstaat doordat de ernst van het stotteren van persoon tot persoon sterk kan verschillen). Het helpt wanneer de gesprekspartner rustig de tijd neemt, de persoon die stottert aankijkt, aandacht heeft voor hetgeen er gezegd wordt en niet alleen luistert naar het stotterend spreken zelf. Veel therapieën zijn erop gericht de persoon die stottert (weer) in sociale situaties aan de praat te krijgen door onder meer te leren dat hij een PDS (persoon die stottert) is en niet een stotteraar zonder enige kwaliteiten.

Zoek stotteren op in het WikiWoordenboek.