Naar inhoud springen

Vorstendom Arbër

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Principata e Arbërit
Vorstendom Arbër
 Byzantijnse Rijk 1190  1255 Koninkrijk Albanië (1272–1368) 
Kaart
Territoriale hoogtepunt onder prins Dhimitër
Territoriale hoogtepunt onder prins Dhimitër
Algemene gegevens
Hoofdstad Krujë
Talen Albanees
Religie(s) Oosters-orthodoxe kerk,
Rooms-katholieke kerk
Regering
Dynastie Progoni
Staatshoofd Archont,
Prins
Vorstendom Arbër

Het vorstendom Arbër (Albanees: Principata e Arbërit; historisch aangeduid als Arbëria) (1190-1255) was het eerste Albanese vorstendom in de middeleeuwen en werd geregeerd door het huis Progoni. Het vorstendom kwam geografisch overeen met gebieden in het huidige Centraal-Albanië. Het strekte zich uit van de Adriatische Zee in het westen tot Ohrid in het oosten, en van de Drin in het noorden tot de Shkumbin in het zuiden. Krujë was de hoofdstad. Onder prins Dhimitër Progoni strekte het rijk volgens historici zich mogelijk verder uit tot noordoostelijke gebieden.

De vroegste vermelding van Albanezen dateert uit de 11e eeuw. Zij waren destijds een gekerstend volk en worden hedendaags in verband gebracht met verschillende vroegere inheemse Balkanvolkeren; voornamelijk met de Illyriërs, Thraciërs en Daciërs.

Het vorstendom Arbër ontstond aan het einde van de 12e eeuw rond het gebied van Krujë en wordt beschouwd als de eerste politieke entiteit van Albanezen. De eerste bekende heerser was de archont Progon, die vanaf 1190 over het vorstendom Arbër heerste. Onder zijn bewind wist het vorstendom zich in belangrijke mate los te maken van de Byzantijnse overheersing. De onafhankelijkheid was echter relatief: de positie van het vorstendom werd voortdurend beïnvloed door de machtsverhoudingen tussen het Byzantijnse Rijk, Servië, Venetië en andere regionale machten. Na de dood van Progon in 1198 werd hij opgevolgd door zijn zoon Gjin, die tot ongeveer 1208 over het vorstendom regeerde. Vervolgens kwam zijn broer Dhimitër aan de macht. Onder Dhimitër bereikte Arbër zijn grootste territoriale omvang en groeide het vorstendom uit tot een belangrijke regionale macht in het centrale en noordelijke deel van het huidige Albanië.

Dhimitër trachtte zijn positie aanvankelijk te versterken door diplomatieke betrekkingen aan te knopen met omliggende staten. Daarbij zocht hij onder meer toenadering tot Venetië. De betrekkingen met Venetië verslechterden echter, waarna Dhimitër zich tegen Venetiaanse belangen in de regio keerde. Tegelijkertijd probeerde hij zijn positie tegenover de Servische heersers van de Nemanjić-dynastie te versterken. Een belangrijke diplomatieke stap vormde zijn huwelijk met Komnena Nemanjić, een dochter van de Servische grootžupan Stefan Nemanjić. Door dit huwelijk raakte Dhimitër verbonden met de Servische dynastie. In 1208 verleende de Byzantijnse keizer Alexios III Angelos hem de Byzantijnse hofrang panhypersebastos. Tijdens de laatste jaren van Dhimitër's regering breidde de invloed van Arbër zich uit over een aanzienlijk deel van het huidige Albanië en aangrenzende gebieden. In de bronnen wordt Dhimitër onder meer in verband gebracht met gebieden rond Shkodër, Prizren, Ohrid en Durrës. De precieze omvang van zijn daadwerkelijke gezag is echter moeilijk vast te stellen, aangezien middeleeuwse aanspraken op gebieden niet noodzakelijk overeenkwamen met permanent territoriaal bestuur.

Dhimitër overleed in 1216 zonder mannelijke erfgenaam. Hierdoor kwam de dynastieke positie van Arbër in handen van zijn weduwe Komnena. Zij huwde vervolgens met de Albanese edelman Grigor Kamona, die daarmee de heerschappij over Arbër verkreeg. Onder Kamona verschoof het politieke zwaartepunt van het vorstendom en werden de betrekkingen met de Servische machthebbers verder versterkt. Na de regering van Grigor Kamona werd Golem de belangrijkste heerser van Arbër. Golem was gehuwd met een dochter van Grigor Kamona en Komnena en vormde daarmee een verbinding tussen de opeenvolgende dynastieke heersers van het vorstendom. Zijn regering vond plaats in een periode waarin de politieke zelfstandigheid van Arbër steeds verder onder druk kwam te staan door de machtsuitbreiding van het Byzantijnse Rijk en andere regionale staten.

In 1256 kwam het vorstendom uiteindelijk onder Byzantijns gezag. Keizer Theodoros II Laskaris maakte een einde aan de zelfstandige politieke positie van Arbër en nam het gebied opnieuw op in het Byzantijnse staatsverband. Hiermee kwam een einde aan de zelfstandige staatkundige ontwikkeling van het vorstendom Arbër, hoewel lokale Albanese edelen hun invloed in de daaropvolgende periode behielden.