Naar inhoud springen

knipperen

Uit WikiWoordenboek
[2] Knipperen.
  • knip·pe·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knipperen
knipperde
geknipperd
zwak -d volledig

knipperen

  1. inergatief snel openen en sluiten, met name van de ogen
    • Het plotseling doorbrekende zonlicht deed de kinderen knipperen met de ogen. 
    ▸ Ze leest hem keer op keer, totdat ze hem door het knipperen van haar ogen niet meer kan zien.[1]
    ▸ Toen we buitenkwamen, stonden we te knipperen tegen het daglicht en het waterige zonnetje, met onze handen voor onze ogen.[2]
  2. inergatief snel aan- en uitgaan van een licht
    ▸ En in het gat tussen twee keer knipperen in, wanneer hij niet verblind is, kijkt hij de machinist in de ogen.[3]
    ▸ Er zijn momenten in je leven die ’s nachts knipperen als de rode lampen op hoge gebouwen in de aanvliegroutes van vliegtuigen, korte momenten waarin je alles had kunnen veranderen.[4]
    • Het rode lampje knipperde en hij kreeg een zinkend gevoel dat er iets mis was. 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]
  1. ↑
    Frederik Backman
    “Oma heeft me gestuurd om te zeggen dat het haar spijt” (2013), Volt, ISBN 9789021455808
  2. ↑ “Vingervlug” (2003), Nijgh & Van Ditmar op Wikipedia, ISBN 9789038899442
  3. ↑
    Frederik Backman
    “Een man die Ove heet” (2012), Q, ISBN 9789021409221
  4. ↑
    Johan Harstad
    “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500
  5. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be