Naar inhoud springen

marmer

Uit WikiWoordenboek
  • mar·mer
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kalkgesteente’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord marmer marmers
verkleinwoord marmertje marmertjes

het marmer o

  1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
    • Hij liet het stuk marmer per ongeluk uit zijn handen vallen. 
    ▸ Ze zijn in Williamstown aangekomen en naar hun hotel vervoerd, een verrassend groot gebouw voor een kleine stad, hoog en zeshoekig, een en al donker marmer buiten, kristal en spiegels binnen.[3]
    ▸ Mijn tegelzetter heeft het marmer aangebracht dat ik voor rondom beide openhaarden gekocht heb, en de originele vloer in de ontvangsthal hersteld.[4]
    ▸ Ze wilde het koele, harde marmer blijven voelen en liet haar hand op de schoorsteenmantel liggen.[5]
vervoeging van
marmeren

marmer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van marmeren
    • Ik marmer. 
  2. gebiedende wijs van marmeren
    • Marmer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van marmeren
    • Marmer je? 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]