Naar inhoud springen

plooi

Uit WikiWoordenboek
  • plooi
enkelvoud meervoud
naamwoord plooi plooien
verkleinwoord plooitje plooitjes

de plooi v / m

  1. golving (in dierlijk of plantaardig weefsel)
  2. (geologie) golving in een aardlaag of in gesteente
  • in de plooi houden
geen emotie laten zien
∗ Ik zou er uit vrije wil niet naartoe zijn gegaan, maar mama en mijn broertje gingen met me mee, dus het was alleen een kwestie van er vriendelijk zitten, je gezicht in de plooi houden en proberen er verveeld uit te zien om aan te geven dat je liever naar oorlogsfilms keek.[4]
vervoeging van
plooien

plooi

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plooien
    • Ik plooi. 
  2. gebiedende wijs van plooien
    • Plooi! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plooien
    • Plooi je? 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]