Naar inhoud springen

restje

Uit WikiWoordenboek
  • rest·je

het restje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord rest
    ▾ Van de boer mocht ik resthout en spijkers meenemen, en ik kreeg zelfs een restje dakspanen van hem voor de halve prijs.[1]
    ▾ Nell met een blos op haar wangen en haar lippen getuit alsof ze nog bezig is met het laatste restje pepermunt.[2]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]
  1. ↑
    Amanda Peters
    “De bessenplukkers” (2023), Ambo Anthos, ISBN 9789026368202
  2. ↑
    Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  3. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be