tribus
Uiterlijk
- tri·bus
- uit het Latijn [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tribus | tribussen |
| verkleinwoord |
de tribus m
- wijk, stadswijk, kiedistrict
- ▸ Cicero was erg actief onder de tribus op het forum en bewoog zich met zijn gevolg van de een naar de ander om de verdiensten van Figula's voorstel nog eens te benadrukken.[2]
- ▸ Een burger bracht zijn stem op het Marsveld uit als lid van zijn tribus en vervolgens werden de resultaten van de stemming van elke tribus voorgelezen door de magistraten.[2]
- (biologie) taxonomische rang: groep geslachten
- Het woord tribus staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "tribus" herkend door:
| 34 % | van de Nederlanders; |
| 34 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ tribus op website: Etymologiebank.nl
- 1 2 “Imperium” (2006), Cargo, ISBN 9789023443544
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Biologie in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 34 %
- Prevalentie Vlaanderen 34 %