Naar inhoud springen

tribus

Uit WikiWoordenboek
  • tri·bus
  • uit het Latijn [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord tribus tribussen
verkleinwoord

de tribus m

  1. wijk, stadswijk, kiedistrict
    ▸ Cicero was erg actief onder de tribus op het forum en bewoog zich met zijn gevolg van de een naar de ander om de verdiensten van Figula's voorstel nog eens te benadrukken.[2]
    ▸ Een burger bracht zijn stem op het Marsveld uit als lid van zijn tribus en vervolgens werden de resultaten van de stemming van elke tribus voorgelezen door de magistraten.[2]
  2. (biologie) taxonomische rang: groep geslachten
34 %van de Nederlanders;
34 %van de Vlamingen.[3]