Naar inhoud springen

voorhoofd

Uit WikiWoordenboek
  • voor·hoofd
enkelvoud meervoud
naamwoord voorhoofd voorhoofden
verkleinwoord voorhoofdje voorhoofdjes

het voorhoofd o

  1. (anatomie) het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
    ▸ 'Kom maar, Joy, rustig maar.' Ik voel de stoppels van zijn kin tegen mijn voorhoofd.[1]
    ▸ De chef strijkt zijn haar plat over zijn voorhoofd en steekt uitnodigend zijn arm uit.[1]
  • wijzen naar je voorhoofd
zeggen dat iemand of iets knettergek is
  • Hij maakte zijn zin niet af, hij wees veelbetekenend met zijn vinger naar zijn voorhoofd. [2]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. 1 2
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  2. ↑
    Herzen, Frank
    De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 89
  3. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be