Naar inhoud springen

zetgang

Uit WikiWoordenboek
  • zet·gang
enkelvoud meervoud
naamwoord zetgang zetgangen
verkleinwoord

de zetgang m

  1. (scheepvaart) zware plank die in de lengte richting van een schip loopt aan de binnenkant van de romp
    ▾ zetgang, z.n.m. – 1°. Losse plank, die men op lage vaartuigen boven langs ’t boord inzet. 2°. Gang, die op het barghout en rahout tegen de buitenoppervlakte der inhouten wordt geplaatst.[2]
45 %van de Nederlanders;
34 %van de Vlamingen.[3]
  1. ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. ↑ Bronlink Weblink bron “Zeemans-woordenboek” ((1856)), DBNL
  3. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be