Naar inhoud springen

trouweloos

Uit WikiWoordenboek
  • trou·we·loos
  • afgeleid van trouw met het achtervoegsel -loos met het invoegsel -e-
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen trouweloostrouwelozertrouweloost
verbogen trouwelozetrouwelozeretrouwelooste
partitief trouweloostrouwelozers-

trouweloos

  1. zonder trouw
    • De trouweloze echtgenoot had zijn vrouw al vele malen bedrogen. 
    • De trouweloze ridder was een verrader van zijn meester. 
81 %van de Nederlanders;
79 %van de Vlamingen.[1]
  1. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be